Waskrijt, stiften of potloden: wat kies je wanneer?
Elk kleurmateriaal heeft zijn eigen sterke kant. Met dit overzicht kies je makkelijker wat past bij de plaat, het kind en het moment.

Kort antwoord: het hangt af van de plaat
Er is geen beste materiaal voor iedereen. Waskrijt is fijn voor grote vlakken en jonge kinderen, stiften geven snel felle kleur en potloden zijn handig voor details en zachte overgangen. Kijk dus eerst naar de kleurplaat: grote vormen of juist kleine vakjes? Kijk daarna naar wie er kleurt en hoeveel tijd je hebt. Een snelle kleurpauze vraagt iets anders dan een rustige middag met een mandala. Door die twee vragen te stellen, kies je bijna altijd goed.
Waskrijt: stevig, snel en vergevingsgezind
Waskrijt geeft met weinig druk veel kleur en breekt minder snel als het dik is. Daardoor is het een fijne keuze voor peuters en kleuters. Het werkt goed op gewoon printerpapier en op grote vellen. Kleine vakjes netjes vullen is met krijt lastiger, want de punt is breed. Een leuk trucje is krijt in lagen gebruiken: eerst licht geel, daarna wat oranje eroverheen. Je kunt ook een blad onder het papier leggen en eroverheen wrijven, zodat de nerven zichtbaar worden.
Stiften: felle kleuren, let op het papier
Stiften geven direct een heldere, egale kleur. Dat maakt ze geschikt voor tekeningen met duidelijke vlakken en voor kaarten die opvallen. Op dun papier kunnen ze doordrukken of het papier laten golven, zeker als je lang op één plek blijft kleuren. Leg daarom altijd een extra vel onder je werk. Mengen gaat met stiften minder makkelijk dan met potloden. Kies voor kinderen bij voorkeur uitwasbare stiften en doe na gebruik direct de dop erop, dan blijven ze langer goed.
Kleurpotloden: precies en goed te mengen
Met kleurpotloden heb je de meeste controle. Je kunt licht beginnen, kleuren over elkaar leggen en kleine details invullen. Daarom zijn ze populair bij oudere kinderen en volwassenen die graag mandala’s of gedetailleerde platen kleuren. Het nadeel: grote vlakken kosten meer tijd en jonge kinderen moeten soms hard drukken. Een scherpe punt helpt bij details, een iets bottere punt bij vlakken. Wil je meer weten over vorm en zachtheid, lees dan ook ons stuk over het kiezen van kleurpotloden.
Combineren mag gewoon
Je hoeft niet bij één materiaal te blijven. Kleur bijvoorbeeld een grote achtergrond met waskrijt en werk de kleine details af met potlood. Of zet met stift een paar felle accenten op een plaat die je verder met potloden kleurt. Probeer zo’n combinatie eerst even op een restje papier, want niet elk materiaal hecht goed op een ander. Krijt op potlood werkt meestal prima, potlood op een dikke laag krijt soms minder. Zo ontdek je samen wat jullie fijn vinden, zonder dat je meteen nieuwe spullen hoeft te kopen.
Snel overzicht per leeftijd
Voor de jongste kinderen zijn dikke waskrijtjes of dikke potloden meestal het fijnst, omdat ze stevig zijn en weinig druk vragen. Kleuters vinden stiften vaak heerlijk vanwege de felle kleur; met uitwasbare stiften en een onderlegvel blijft het overzichtelijk. Oudere kinderen gaan vaak graag aan de slag met kleurpotloden, omdat ze daarmee details en laagjes kunnen maken. Volwassenen die gedetailleerde platen kleuren, kiezen meestal voor potloden of fijne stiften. Dit zijn geen vaste regels: een tienjarige kan net zo goed plezier hebben met krijt, en een kleuter kan prima met potloden overweg. Kijk vooral naar wat prettig voelt in de hand en wat bij de plaat past. Leg eens drie materialen naast elkaar op tafel en laat je kind zelf kiezen. Zo leer je snel wat jullie favoriet is, en hoef je niet alles tegelijk te kopen. Bewaar elk materiaal in een eigen bakje of etui. Dan zie je snel wat er nog is, blijven punten en dopjes heel en kan iedereen bij een nieuwe plaat meteen kiezen waarmee hij of zij wil beginnen.


